Over dit artikel

Een aantal vennootschappen dat deel uitmaakt van een groep heeft in 2012 en 2013 (bonus)aandelen geschonken aan een selecte groep werknemers. Zij willen dit loonbestanddeel aanwijzen als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling. De vraag is of wel is voldaan aan de gebruikelijkheidstoets.

De Hoge Raad heeft voor het eerst een oordeel geveld over het gebruikelijkheidscriterium van de werkkostenregeling (WKR). In de aanloop naar dat oordeel heeft Advocaat-Generaal (AG) Niessen een conclusie getrokken over deze rechtszaak. Volgens de AG is de omvang van een vergoeding of verstrekking die in de vrije ruimte wordt ondergebracht acceptabel als die niet meer dan 30% afwijkt van het bedrag dat 90% van de werkgevers in een vergelijkbare situatie hanteert. Om te bepalen wat dan precies een gebruikelijk bedrag is, moet worden gekeken naar werknemers met een vergelijkbare functie, opleiding en ervaring – bij voorkeur uit dezelfde sector.

Dat leidt in de praktijk tot onduidelijkheid, want wat als vier van de tien werkgevers een vergoeding of verstrekking van een bepaald bedrag onderbrengen in de vrije ruimte? Is er dan wel of geen sprake van gebruikelijkheid? Om die onduidelijkheid weg te nemen, concludeert de AG dat het bedrag doorslaggevend zou moeten zijn waar 90% van de werkgevers onder blijft. Dus als 90% van de werkgevers aandelenopties van € 10.000 aanwijst als eindheffingsloon voor de vrije ruimte, is dat per definitie gebruikelijk. Daarbovenop komt dan nog de maximale afwijking van 30% van dit bedrag die nu ook al geldt.

Lees hier de uitspraak van de Hoge Raad

Blijf op de hoogte! Meld u aan
voor de AAG Nieuwsbrief.

Aanmelden

Deel dit artikel

Meer weten over dit onderwerp? Neem contact met mij op!