Over dit artikel

Op 21 september 2021 heeft het kabinet het Belastingplan voor 2022 gepresenteerd. Voor u als werkgever en HR-professional hebben we de voorgestelde wijzigingen op een rijtje gezet. De cijfers voor 2022 zijn nog onder voorbehoud.

Belastingtarieven

Voor het eerst in jaren stijgt de bovengrens voor het lage tarief van de loon- en inkomstenbelasting. De grens is al sinds 2018 bevroren op € 68.507, maar gaat in 2022 naar verwachting dus naar € 69.398. De eerste schijf loopt voor werknemers die nog niet de AOW-leeftijd hebben bereikt tot en met een inkomen van € 35.472. De tweede schijf loopt vanaf een inkomen van € 35.473 tot en met € 69.398. Over het inkomen daarboven betalen belastingplichtigen 49,50% loonbelasting of inkomstenbelasting.

 

Schijvenoverzicht voor 2022 tot aan AOW leeftijd

  • Belastbaar inkomen meer dan € -, maar niet meer dan € 69.398: tarief 37,07%
  • Belastbaar inkomen meer dan € 69.398: tarief 49,50%

 

Schijvenoverzicht voor 2022 vanaf AOW leeftijd (geboren vóór 1 januari 1946)

  • Belastbaar inkomen meer dan € -, maar niet meer dan € 36.409: tarief: 19,17%
  • Belastbaar inkomen meer dan € 36.409, maar niet meer dan € 69.398: tarief 37,07%
  • Belastbaar inkomen meer dan € 69.398: tarief 49,50%

Loonheffingskortingen

Iedere werknemer die in loondienst werkt, heeft bij één werkgever recht op toepassing van de loonheffingskorting. Loonheffingskorting is een verzamelnaam voor alle kortingen op de loonbelasting en premievolksverzekeringen.

De loonheffingskorting bestaat uit:

  • Algemene heffingskorting
  • Arbeidskorting
  • Ouderenkorting
  • Alleenstaande ouderenkorting
  • Jonggehandicaptenkorting
  • Levensloopverlofkorting

Onderstaand een overzicht van de heffingskortingen:

De overgangsregeling levensloopregeling stopt definitief per 1 januari 2022. Dan stopt ook de levensloopverlofkorting.

 

Werknemersverzekeringen

Onderstaand een overzicht van de voorlopige premiepercentages voor de werknemersverzekeringen in 2022:

Gedifferentieerde AOF premie in 2022

Per 1 januari 2022 geldt er een gedifferentieerde premie voor de AOF (arbeidsongeschiktheidsfonds). Ook moet dan de grens tussen kleine en (middel)grote werkgevers voor de premieberekening voor de Werkhervattingskas (WHK) veranderen. Het besluit waarin deze wijzigingen zijn vastgelegd, is gepubliceerd in het Staatsblad. De differentiatie van de AOF-premie moet de loondoorbetalingsplicht bij ziekte goedkoper maken voor kleine werkgevers. In het besluit wordt de grens tussen kleine en (middel)grote werkgevers als volgt bepaald:

  • kleine werkgevers: een loonsom tot en met 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per jaar;
  • middelgrote en grote werkgevers (overige werkgevers): een loonsom groter dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per jaar.

Kleine werkgevers gaan 1% minder AOF-premie betalen en (middel)grote werkgevers juist ongeveer 0,1% meer. Het verschil in premie tussen kleine en (middel)grote werkgevers bedraagt daardoor straks ongeveer 1,1%.

Door deze wijziging wordt ook de grens tussen kleine en (middel) grote werkgever voor de WHK (werkhervattingskas) aangepast. De grens tussen een kleine en (middel)grote werkgever gaat van tien keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer (die nu nog geldt voor de WHK) omhoog naar 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.

 

Herziening WW premie

Door de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) betalen werkgevers sinds 1 januari 2020 een lage WW-premie voor onbepaalde tijdcontracten (niet zijnde oproepcontracten). Voor bepaalde tijdcontracten en oproepcontracten betalen werkgevers de hoge WW-premie.

Bij werknemers met een vast contract en die gemiddeld minder dan 35 uur per week werken geldt dat wanneer de werkgever in een kalenderjaar meer dan 30% extra uren heeft verloond ten opzichte van het aantal uren dat voortvloeit uit de overeengekomen arbeidsomvang in dat jaar, alsnog de lage WW-premie moet worden herzien. De werkgever moet hiervoor alsnog de hoge WW-premie afdragen, over het gehele kalenderjaar of over de periode dat de dienstbetrekking gedurende het kalenderjaar heeft bestaan. Bepaalde sectoren zoals in de zorg hadden door het coronavirus extra veel werk en het zou onterecht zijn geweest als door dat vele overwerk een hoge WW-premie verschuldigd was. Daarom heeft het kabinet deze zogenoemde 30% herzieningssituatie in 2020 en 2021 opgeschort. Tijdens Prinsjesdag is echter bekend geworden dat deze herzieningssituatie in 2022 weer in werking zal treden.

 

AOW leeftijd

Vanaf 2022 stijgt de AOW-leeftijd jaarlijks 3 maanden tot aan 67 jaar in 2024. Vanaf 2025 is de AOW-leeftijd aan de levensverwachting gekoppeld. De AOW leeftijd in 2022 is 66 jaar en 7 maanden.

 

Jaarlijkse indexering bedragen vrijwilligersregeling

Sinds 1 januari 2021 bedraagt de onbelaste vrijwilligersvergoeding € 180 per maand en € 1.800 per kalenderjaar. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding wordt jaarlijks geïndexeerd. Bij de indexering houdt de overheid wel rekening met een afronding. Na indexering wordt het bedrag van de maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding per kalenderjaar afgerond op een veelvoud van € 100. Dit betekent dat de bedragen niet ieder jaar aangepast zullen worden.

 

Werkkostenregeling

Onder de WKR kan een werkgever een percentage van het totale fiscale loon van de organisatie besteden aan onbelaste vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen aan werknemers.

In 2022 is de verruiming van de vrije ruimte niet meer van toepassing en gelden weer de normale percentages. Dat betekent dat de vrije ruimte per 1 januari 2022 weer 1,70% is voor de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom. Boven de € 400.000 geldt in 2022 (net als in 2021) een vrije ruimte van 1,18%. Stopt de werkgever méér in deze zogenoemde vrije ruimte, dan moet hij over het meerdere 80% eindheffing betalen.

 

Bijtelling elektrische auto’s wordt verhoogd in 2022

In 2022 wijzigt de bijtelling voor elektrische auto’s. In de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord is al vastgelegd dat de genoemde korting op de bijtelling in stappen wordt afgebouwd, van het huidige 10%-punt in 2021, 6%-punt voor 2022, 2023 en 2024, 5%-punt voor 2025 tot uiteindelijk nul vanaf 1 januari 2026. Voor auto’s met een CO2 uitstoot blijft de fiscale bijtelling van 22 % gehandhaafd. Voor alle volledig elektrische auto’s wordt de bijtelling per 1-1-2022 verhoogd van 12% naar 16% voor een periode van 60 maanden. Voor nieuwe elektrische auto’s uit 2022 betaalt u over de eerste €35.000 16% bijtelling en 22% over het deel boven de €35.000.

 

STAP-budget

Werkenden en werkzoekenden kunnen vanaf 1 maart 2022 een STAP-budget van maximaal € 1.000 aanvragen voor scholing en ontwikkeling. Mensen kunnen deze subsidie gebruiken voor een sterkere positie op de arbeidsmarkt. De subsidie heet STAP. Dit staat voor Stimulering ArbeidsmarktPositie.
Met het geld uit het STAP-budget kunnen mensen een opleiding, training of cursus volgen.

Met het STAP-budget wil de overheid mensen helpen om zich te ontwikkelen tijdens hun loopbaan. Werknemers en werkzoekenden hebben zo meer kansen om hun baan te houden of om een nieuwe baan te vinden.

Het STAP-budget vervangt de fiscale aftrek van scholingskosten. Mensen die het meeste voordeel hebben van bijscholing maken te weinig gebruik van deze mogelijkheid. Denk aan flexwerkers en werkzoekenden of mensen die om financiële redenen geen (bij)scholing kunnen volgen. De overheid wil dat deze mensen met het STAP-budget sneller kiezen voor een opleiding of cursus. Vanaf 1 maart 2022 kunnen werkenden en werkzoekenden bij UWV het STAP-budget aanvragen. Dit kan per persoon 1 keer per jaar. Als de aanvraag is goedgekeurd, wordt het bedrag betaald aan de opleider.

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) houdt een (scholings)register bij met opleidingen waarvoor mensen het STAP-budget kunnen aanvragen. Een STAP-budget aanvragen kan alleen als de scholingsactiviteiten in het scholingsregister staan.

Tot aan maart 2022 werken UWV en DUO hard aan de voorbereidingen van de invoering van STAP, meldt UWV. Zo maakt de uitvoeringsinstantie een website waar het budget digitaal kan worden aangevraagd. DUO werkt aan een scholingsregister waarin goedgekeurde scholingsactiviteiten worden opgenomen. Op 1 december 2021 start een proefperiode om eventuele knelpunten op te lossen. Die proefperiode duurt tot eind februari, waarna op 1 maart het loket zal kunnen openen bij UWV.

Meer informatie over STAP:

 

Gerichte vrijstelling voor thuiswerken

Als gevolg van COVID-19 was in Nederland sinds half maart 2020 de regel “thuiswerken tenzij….” van toepassing. Werknemers die hun werkzaamheden vanuit huis konden verrichten werden geacht thuis te werken. De verwachting is dat na de versoepeling van deze maatregel een deel van de werknemers nog steeds een deel van de week thuis zal werken. Veel werkgevers moedigen het thuiswerken aan en in verschillende (collectieve) arbeidsvoorwaarden zijn daar ook al afspraken over gemaakt. Thuiswerken is daarmee veel meer dan voorheen gebruikelijk geworden. Vanaf 1 januari 2022 geldt er dan ook een gerichte vrijstelling voor een vergoeding van thuiswerkkosten. Het kabinet neemt de vaststelling door het Nibud over en stelt voor uit te gaan van een vrijstelling voor een forfaitair bedrag van maximaal € 2 per thuisgewerkte dag, of een deel daarvan.

Dit bedrag vloeit voort uit het onderzoek dat het Nibud heeft gedaan naar de gemiddelde extra kosten van een thuiswerker per thuiswerkdag. De specifieke kosten die de werkgever hiermee kan vergoeden, betreffen extra water- en elektriciteitsverbruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier. De vergoeding is niet bedoeld voor de kosten die verbonden zijn aan het inrichten van een werkplek thuis, zoals een bureaustoel, computer of mobiele telefoon. Hier bestaan al zogenoemde gerichte vrijstellingen voor.

Een vaste vergoeding voor thuiswerken kan worden vastgesteld op basis van de 128-dagenregeling. Deze regeling bestond al voor de onbelaste reiskostenvergoeding. Deze regeling houdt in dat als een (fulltime) medewerker ten minste 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste werkplek reist (woon-werkverkeer), de werkgever een vaste onbelaste reiskostenvergoeding mag geven alsof de werknemer 214 dagen per kalenderjaar naar die vaste werkplek reist (deeltijders naar rato). In het Belastingplan is deze regeling voor de vaste vergoeding woon-werkverkeer nu ook van toepassing voor de thuiswerkvergoeding. De combinatie van beide regelingen maakt het mogelijk om bij incidentele wijzigingen in het reis- of thuiswerkpatroon de vaste vergoeding ongewijzigd te laten voortduren.

Voorbeeld: Stel een medewerker werkt 4 dagen, 1 dag thuis en 3 dagen naar een vaste werkplek. De enkele reisafstand woon-werk bedraagt 20 km.

De werknemer voldoet aan de voorwaarde om de 128 dagenregeling toe te passen als de werknemer ten minste 102 dagen van het kalenderjaar (4/5 van 128 dagen) naar de vaste werkplek reist. In dat geval mag de reiskostenvergoeding worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 172 dagen (4/5 van 214 dagen) van het kalenderjaar naar de vaste werkplek reist. De maximaal te ontvangen vaste reiskostenvergoeding bedraagt dan afgerond € 109 per maand ((172 dagen x 40 kilometer x € 0,19)/12 maanden).

Volgens de nieuwe regeling wordt de maximale gecombineerde vaste vrijgestelde reiskosten en thuiswerkkostenvergoeding als volgt berekend:
Ten aanzien van de reiskostenvergoeding voldoet de werknemer aan de voorwaarde om de 128 dagenregeling toe te passen als de werknemer ten minste 76 dagen van het kalenderjaar (3/5 van 128 dagen) naar de vaste werkplek reist. In dat geval mag de vergoeding worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 129 dagen (3/5 van 214 dagen) van het kalenderjaar naar de vaste werkplek reist.

De maximaal te ontvangen vaste reiskostenvergoeding bedraagt dan afgerond € 82 per maand ((129 dagen x 40 kilometer x € 0,19)/12 maanden). Ten aanzien van de thuiswerkkostenvergoeding voldoet de werknemer aan de voorwaarde om de 128 dagenregeling toe te passen als de werknemer ten minste 25 dagen van het kalenderjaar (1/5 van 128 dagen) thuiswerkt. In dat geval mag de vergoeding worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 43 dagen (1/5 van 214 dagen) van het kalenderjaar thuiswerkt. De maximaal te ontvangen thuiswerkkostenvergoeding bedraagt voor deze werknemer afgerond € 7 per maand (43 dagen x € 2/12 maanden). De maximaal te ontvangen gecombineerde vaste reiskosten- en thuiswerkkostenvergoeding bedraagt onder de nieuwe regeling in dit geval dus € 89 per maand.

De vaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer respectievelijk de vaste thuiswerkkostenvergoeding moet worden aangepast als een werknemer in de loop van het kalenderjaar in of uit dienst treedt, als de reisafstand woon-werkverkeer in de loop van het kalenderjaar wijzigt of als het aantal dagen waarop in de regel naar een vaste plaats van werkzaamheden wordt gereisd dan wel in de regel wordt thuisgewerkt in de loop van het kalenderjaar wijzigt.

Voor eenzelfde werkdag kan niet tegelijkertijd de vrijstelling voor een thuiswerkkostenvergoeding als de vrijstelling voor een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer naar de vaste werkplek van toepassing zijn. De vrijstelling voor een thuiswerkkostenvergoeding van maximaal € 2 per thuiswerkdag kan ook worden toegepast als een werknemer slechts een deel van de dag thuiswerkt. Als een werknemer een deel van de dag thuiswerkt en het andere deel op de vaste werkplek werkt, kan dus maar één van de vrijstellingen worden toegepast. Dit geldt zowel voor het vergoeden van € 0,19 per woon-werkkilometer als voor het vergoeden van daadwerkelijke OV-kosten.

Is sprake van het vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen van een OV-chipkaart, een OV-abonnement, een auto van de zaak of een fiets van de zaak dan geldt dat de gerichte vrijstelling voor thuiswerkkosten alleen kan worden toegepast als op de betreffende thuiswerkdag geen gebruik wordt gemaakt van de OV-chipkaart, het OV-abonnement, de auto van de zaak, de fiets van de zaak of ander vervoer vanwege de werkgever om hiermee naar de vaste plaats van werkzaamheden te reizen. Als daar op de thuiswerkdag wel gebruik van wordt gemaakt, wordt er op kosten van de werkgever gereisd naar de vaste plaats van werkzaamheden en kan de werkgever voor die dag geen gericht vrijgestelde vergoeding voor thuiswerkkosten geven.

U mag beide vrijstellingen wel toepassen als de werknemer op een dag deel thuiswerkt en daarnaast een zakelijke reis maakt die geen woon-werkverkeer is.

Betaald ouderschapsverlof

Het kabinet wil dat mensen meer de ruimte krijgen om te kiezen hoe ze zorg en werk kunnen combineren. Daarom krijgen ouders per 2 augustus 2022 negen weken van het ouderschapsverlof doorbetaald. Het kabinet stimuleert ouders daarmee om het ouderschapsverlof echt op te nemen.
Nu al kunnen ouders 26 weken ouderschapsverlof opnemen in de eerste acht levensjaren van hun kind. Dat verlof is in principe onbetaald, tenzij werkgever en werknemers daar binnen hun bedrijf of cao andere afspraken over maken. Daardoor kan niet iedereen het zich veroorloven gebruik te maken van het verlof: slechts een derde van de ouders neemt ouderschapsverlof op. Het kabinet heeft besloten om de eerste negen van de 26 weken ouderschapsverlof te gaan betalen. Deze uitkering bedraagt 50% van het dagloon en is gemaximeerd op 50% van het maximumdagloon. Het recht op de uitkering heeft de werknemer alleen in het eerste levensjaar van zijn kind. De uitkering wordt, na opname van het verlof, aangevraagd door de werkgever bij UWV d.m.v. een digitaal formulier.

De aanvraag moet altijd op een of meer hele weken week betrekking te hebben. Het patroon waarop het betaald ouderschapsverlof wordt opgenomen kan de werknemer invullen in overleg met de werkgever. Het betaald ouderschapsverlof kan in een aansluitende periode in voltijd of deeltijd of in meerdere perioden in voltijd of deeltijd worden opgenomen, mits de opname binnen 12 maanden na de dag van bevalling plaatsvindt.

De invoering van betaald ouderschapsverlof volgt op de invoering van extra geboorteverlof voor partners. Sinds 1 januari 2019 krijgen partners geen twee, maar vijf werkdagen vrij direct na de geboorte van hun kind. Vanaf 1 juli 2020 komt hier het aanvullend geboorteverlof bij. Vanaf deze datum kunnen partners tot maximaal vijfmaal de arbeidsduur per week aan uren opnemen. Daarmee krijgen partners van moeders in het eerste levensjaar van het kind in totaal vijftien weken betaald verlof.

Moeders hebben ook recht op deze negen weken betaald ouderschapsverlof, naast het bestaande zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het kabinet geeft met deze besluiten ook invulling aan de Europese richtlijn over de werk-privébalans.

 

Voor meer informatie over wijzigingen n.a.v. Prinsjesdag

Blijf op de hoogte! Meld u aan
voor de AAG Nieuwsbrief.

Aanmelden

Deel dit artikel

Meer weten over dit onderwerp? Neem contact met mij op!

Monique Straver